Verslag Roemeniëreis 2015

Donderdag 23 juli, in de schuur bij ome Leen. Ongeduldig zaten we te wachten en te draaien op onze stoelen. Eindelijk was het zover. Na maanden van voorbereiding, geld inzamelen en de bouwzaterdag waren we er helemaal klaar voor. Het materiaal was al in Roemenië, nu wij nog.

Zwaaiend en claxonnerend reden we de brug af, op weg naar Roemenië en het avontuur. In de busjes zat de stemming er bij ons al goed in en via de ‘’bakkies’’ werd luidruchtig gecommuniceerd.

In busje 2 legde buschauffeur Christian de regels helder uit: ‘’In principe wordt er niet gegeten of gedronken in de bus, alleen bij hoge uitzondering. Er wordt niet gekruimeld of geknoeid. Wie de bus bevuilt is veroordeelt tot het schoonmaken na terugkomst.’’

Er volgde een barre tocht over de Autobahn, over de van hitte zinderende prairie in Hongarije en verlaten wegen in Roemenië. Wij probeerden het ons zo makkelijk mogelijk te maken in de busjes, door onder andere op de grond te slapen.

Zaterdag kwamen we aan in Buda. Ons verblijf was een enorm huis, dat vanwege geldgebrek onafgebouwd was. Ons slaapverblijf was in de kelder en op de begane grond, tussen de autobanden, balken, gipsplaten, potten verf en ander materiaal zetten we wat tafels en stoelen neer en maakten van matrassen een riante zitbank.

Zondag verkenden we de omgeving en bezochten we een kerkje in het plaatsje Albele, waar we beschaamd werden door de gastvrijheid van onze Roemeense broeders en zusters.

Maandag was het dan zover, de bouw kon beginnen. De echte bouwvakkers vertrokken richting de bouwplaats, waar ze tot hun frustratie ontdekten dat er alleen een fundering lag en dat de draadeinden die de burgemeester beloofd had nergens te bekennen waren. Voordat deze opgespoord waren in een van de bouwmarkten was het al middag. Op deze eerste dag al zoveel vertraging, dat was een slecht voorteken!

Gelukkig hoefden we hier niet met z’n allen op te wachten. Een groepje vertrok richting Dumbrava om daar een oude dokterspost op te knappen en ook werd er een blokhut voor opslag bij Saskia in de tuin gebouwd.

Wel had de burgemeester een aantal hulpkrachten geregeld om de wanden vanaf ons verblijf naar de bouwplaats te sjouwen. Met een z’n tienen én een busje kwamen de Roemenen breed lachend naar ons toe en was deze klus in een oogwenk gebeurd.

Onder de kundige leiding van Daan gingen we iedere dag met plezier naar de bouw en die

bouw vorderde dan ook gestaag. Na twee dagen hingen de vlaggen al in de top, tot grote verbazing van de Roemenen die niet konden geloven dat zo’n stelletje Hollanders dus echt in zo weinig tijd een dokterspost neer konden zetten. Natuurlijk moest dit gevierd worden en kwam de burgemeester langs om dit heugelijke feit wel even mee te vieren.

Stonden we de eerste dagen te zweten in de brandende zon, plotseling sloeg het weer om en werden we verrast door enorme regenbuien. Nog net op tijd konden we het dak dichtmaken. We werden ’s avonds opgeschrikt door de buurman, die voor de kelder stond in regenkleding met een pomp. Met man en macht renden we met emmers heen en weer, terwijl de buurman stond te pompen en wisten we ternauwernood te voorkomen dat onze matrassen en bezittingen wegspoelden.

De volgende dag regende het nog en terwijl we zowel op als onder het dak druk aan het werk waren gebeurde het dat Lutine van het dak gleed. Koelbloedig werd ze in een van de busjes naar het ziekenhuis in Onesti gereden en toen begrepen we waarom we een dokterspost bouwden in Buda: een uur lang in een busje over zulke slechte wegen is een martelgang, laat staan voor de Roemenen zonder auto.

Natuurlijk was dit een ongeluk een grote domper op de stemming in de groep en bedrukt werkten we verder, met onze gedachten alleen nog maar bij Lutine. Wat waren we dankbaar toen we hoorden dat het ‘’slechts’’ om een verbrijzelde hiel ging. Een val van 4 meter kan toch veel slechter aflopen.

Natuurlijk bestond onze vakantie niet alleen uit werken en zwoegen op de bouw. We bezochten Boekarest, waar we het ‘’Paleis van het volk’’ bezochten en ons verbijsterden over de recente geschiedenis, die nog steeds zo’n grote impact heeft op het hele land en doorspeelt in enorme verschillen tussen rijk en arm en grove corruptie.

We deelden kleding uit in naburige zigeunerdorpjes en in Onesti, waar we echte armoede zagen. Open latrines in een flat, poep en pies in de gang, gezinnetjes met zes kinderen in een flatje wat nauwelijks groter was dan een slaapkamer in Nederland.

We maakten tochten over de heuvels, bezochten watervallen en sliepen een nacht buiten op een heuveltop, tussen de koeienpoep, rond een kampvuur van afvalhout én dankzij de meegenomen kettingzaag een versgekapte boom.
De laatste week werden we getroffen door een kleine epidemie. Een voor een werden steeds meer groepsleden ziek, en iedere dag kwamen er nieuwe zieken bij. De dames van de corvee liepen het vuur uit hun sloffen om de ziekenboeg te runnen, terwijl de nog overgebleven niet-zieken hevig speculeerden over wie het volgende slachtoffer zou zijn. Enthousiaste jongens maakten een lijst met zieke- en niet-zieke deelnemers, waarbij de zieken afgestreept werden, zodat de stand van zaken goed bijgehouden kon worden.

Gelukkig duurde het ziek zijn bij de meesten maar een dagje, maar toch werd het even spannend die laatste dagen. Zouden we de planning halen of niet? Zouden we alles op tijd afkrijgen voor de opening? De overgebleven werkers gingen natuurlijk gewoon door, ondanks alle hitte, zwakheid en andere obstakels. Onze bouwleider Daan was toch wel de held die ons er doorheen gesleept heeft. Iedere morgen sprak hij ons opbeurend toe in een peptalk, tijdens het werken liep hij geregeld langs met voor ieder een bemoedigend woord of compliment. En ja hoor, na een avond hard doorwerken was de post de dag voor de opening dan toch echt klaar.

Vol trots stonden we daar die dinsdag in ons werkgroep shirt voor de post. De burgemeester, die ons van alles had beloofd en die beloftes niet nakwam, waaraan we ons flink geërgerd hadden, hield een gloedvolle speech, waarin hij opbiechtte nooit geloofd te hebben dat wij die post in 11 dagen konden bouwen. Nachten had hij wakker gelegen, waarin hij baalde van het geld en de energie die hij erin gestoken had. Maar nu stond de post er, stralend in de zon. Nadat Daan had gespeecht en wij uit volle borst het volkslied hadden gezongen werd de post geopend, kregen de inwoners een rondleiding en kregen wij een overheerlijke maaltijd van de burgemeester. Zo kwam op die laatste dag in Roemenië alles toch nog goed en konden we met een tevreden gevoel naar huis.

Woensdag ruimden we in de vroege uurtjes alles op en was het moment aangebroken dat we moesten vertrekken. Met een zekere weemoed klommen we in de busjes, zwaaiden naar de buurman en reisden af, naar Nederland, naar huis.